Werkstukken

Speciaal voor de geïntresseerde jeugdigen van de basisschool en begin middelbare school, bieden wij hier informatie aan wat gebruikt kan worden voor een werkstuk. Het vertelt de voorgeschiedenis van de zijdeteelt en mondt uit in de situatie rondom de zijde vandaag de dag. Al met al een interessant verhaal...

Voor de meer dan gemiddeld geïnteresseerde mensen, hebben wij het boekwerk(je) 'handwerken zonder grenzen - van alles over zijde'ter beschikking. Helaas was dit te uitgebreid om op deze website te plaatsen. Men kan het aanvragen door hier te reageren. Het 64 pagina tellende boekwerk kan uitstekend gebruikt worden voor uitgebreidere werkstukken. Of voor mensen die zelf creatief aan de slag met zijde willen.

Een sprookje uit China

Ongeveer 4500 jaar gelden was er in China een keizerin die Shi Ling Shi heette. Op een dag wandelde zij langs de Gele Rivier. Plotseling werd ze door een slang aangevallen en doodsbang rende ze naar de dichtstbijzijnde boom. Ze klom erin en wachtte op hulp. Die kwam wel, maar pas uren later.
De boom was een moerbeiboom. Shi Ling Shi zag dat er heel veel kleine eitjes aan de bladeren gekleefd zaten. Dit vond ze heel interessant. Daarom ging ze, nadat ze gered was, nog vaak naar de boom terug. Ze zag toen hoe uit de eitjes rupsen kwamen. En hoe later de rupsen een wit omhulsel, een cocon, om zich heen sponnen.

Cocon in de thee

Op een dag, toen Shi Ling Shi onder de moerbeiboom thee zat te drinken, viel er zo'n cocon in haar warme thee. Toen zij de cocon eruit wilde halen, viel die uiteen in het zonlicht.
Nu was Shi Ling Shi erg op mooie kleren gesteld. Geen wonder dat ze van deze glanzende draden haar kleding ging weven. In deze kleding zag ze er zó mooi uit, dat haar man, keizer Huang Di, tegen zijn volk zei: "Voortaan moet iedereen zijderupsen gaan telen en niemand buiten China mag weten hoe dat gaat".
Heel lang hebben de Chinezen het geheim van de zijdeteelt bewaard. En niemand durfde dit geheim te verraden. Want deed men dat tòch, dan werd men gedood.

Van China naar Frankrijk


In het jaar 400 trouwde een prinses uit China met een prins uit Oost-Toerkestan. Toerkestan ligt in het westen van China. In dit land was de zijde onbekend. Omdat de prinses erg graag zijde droeg, nam ze stiekem enkele eitjes van de zijdevlinder mee. Ze verborg ze in de bloemen van haar kapsel. Met die eitjes begon de zijdetochtt in een land dat al wat dichter bij Europa lag. Tweehonderd jaar later smokkelden twee monniken de eitjes tot in Europa zelf. Tot in Byzanthium, dat nu Istanboel heet. De twee slimmeriken verstopten de eitjes in holle bamboestokken.

Rijke buit

In het begin van de dertiende eeuw vertrok een leger uit het noorden van Italië naar Jeruzalem. Onderweg viel het leger Byzanthium aan en keerde terug met een rijke oorlogsbuit.

Nu denk je misschien dat ze karrenvrachten goud hadden geroofd. Nee hoor, hun buit bestond uit zijderupsen. Ze wisten namelijk dat één kilo zijde evenveel waard was als één kilo goud. En dat je door de zijdeteelt dus schatrijk kon worden. Hoe dan ook: de zijdeteelt werd nu ook in Italië bekend. Nog in diezelfde eeuw kwam de zijdeteelt terecht in Frankrijk. Daar werd het maken van zijde een belangrijke industrie. Pas na de Tweede Wereldoorlog, dus na 1945, werd dat minder. Men vond toen uit hoe je kunstzijde moet maken. Kunstzijde is veel goedkoper dan de echte natuurzijde.

De kringloop van de zijderups

Zijde haal je van de cocon van de zijderups. Maar als je de cocon met rust laat, komt na een tijdje een zijdevlinder te voorschijn. Zijdevlinders zijn meteen volwassen en grijs-wit van kleur als ze uit de cocons komen. Omdat de vleugels zijn opgevouwen, duurt het nog een paar uur voor die "opgepompt" zijn. Dan is de vlinder iets groter dan een rijksdaalder. Zijn de vleugels "opgepompt", dan gaat de mannetjesvlinder een vrouwtjesvlinder zoeken voor de paring. Zo'n paring kan wel twaalf uur duren. Het mannetje zoekt daarna nog een ander vrouwtje en zal na deze tweede paring sterven. Het vrouwtje legt tussen de 300 en 500 eitjes en sterft dan ook.
Zijdevlinders leven dus echt maar een vlinderleven!
De eitjes hebben, als ze net zijn gelegd, een gele kleur. Na een paar dagen krijgen ze een andere kleur: van geel naar bruin naar grijs.

Kraamkamer

In de telerij wil men dat er veel eitjes uitkomen. Daarom worden ze naar een aparte ruimte gebracht, een soort ,,kraamkamer”. Daar moet het erg schoon en heel rustig zijn. En ook vrij warm en vochtig. Na een dag of twaalf komen er dan heel kleine, bruine, harige rupsjes uit de eitjes. Ze zijn dan twee millimeter lang.
De zijderups lust alleen maar moerbeiblad. Ander voedsel eet hij niet. Daarom moet men ervoor zorgen dat de eitjes alleen uitkomen als er voldoende bladeren aan de moerbeibomen zitten. In de telerij krijgen de rupsjes om de vier uur verse blaadjes, ook ‘s nachts. De heel jonge rupsjes krijgen fijn gesneden bladeren; de grote rupsen krijgen hele bladeren.

Een nieuw vel

Als de rupsjes vijf dagen oud zijn, krijgen ze een nieuw vel. Het andere vel iste klein geworden. Ze vallen dan in een soort slaap, die een dag en een nacht duurt. Daarna komen ze in beweging en kruipenuit hun oude velletje. Vanaf dat moment zijn het geen bruine, harige rupsen meer, maar grijs-witte en helemaal glad.
Nu hun strakke vel uit is, zijn ze ook groter geworden. Ze krijgen ook nieuwe kaken. Maar die moeten nog een paar uur drogen tot ze hard zijn. Dan kunnen de rupsen weer eten, eten en nog eens eten.

Inspinnen

Na een maand eten en nog eens vier keer vervellen zijn de rupsen volwassen en bijna tien centimeter lang. Dan is de tijd gekomen dat ze zich gaan inspinnen, dus een cocon maken.
In de kaak van de rups zitten twee piep­kleine openingen. De rups perst daaruit een lijmdraad en een zijdedraad. De lijm zorgt ervoor dat de cocon in de buitenlucht hard wordt. Al spinnend knijpt de rups zichzelf als een tube tandpasta leeg. Hij wordt dus steeds kleiner.
Voordat de rups aan de cocon begint, spint hij eerst een soort net. Daar moet hij in komen te hangen.
En nu komt dan het grote werk! De rups gaat een cocon spinnen waarin hij zelf helemaal verdwijnt. Na drie dagen en nachten spinnen is de cocon klaar.
Alleen aan de cocon is goed te zien wat een mannetje of een vrouwtje is. De man­netjes-cocon is iets spitser en lijkt op een pinda. De vrouwtjes-cocon heeft meer de vorm van een ei.
Op de telerij spinnen de rupsen hun cocons in eierdozen of takkebossen van stro of riet. Daarin kunnen ze allemaal een eigen plekje vinden.

Tweeduizend meter draad

Als de rups klaar is met spinnen, zit er om de cocon ongeveer 2000 meter zijdedraad. Heb je een idee hoe lang dat is? Als je die afstand loopt, doe je er bijna een half uur over. De eerste 500 meter bestaat uit korte draadjes, omdat de rups het dan nog moet Ieren. De middelste 1000 meter is een heel lange draad. De laatste 500 meter bestaat ook weer uit korte draadjes. Geen wonder, de rups is dan te moe.

Diepe slaap

In de cocon verandert de rups in een pop. Dat gebeurt tijdens een diepe slaap, die enkele weken duurt. Als hij dan wakker wordt, kruipt hij uit zijn pop-velletje en is veranderd in een vlinder.
Maar nu moet de vlinder nog uit de harde cocon. Natuurlijk heeft hij daar een hulpmiddeltje voor. Met een bruinachtig zuur smelt hij een gat in de cocon en even later fladdert er weer een nieuwe vlinder rond.
Tenminste... als die vlinder geluk heeft. Want op de telerij gaat het iets anders. Door het maken van dat gat is de cocon kapot. Er zit dan geen 1000 meter lange draad meer op de cocon, maar allemaal kleine draadjes. Om de lange draad heel te houden, stopt men de cocons in de oven. Dan wordt de pop die erin zit gedood. Die pop wordt dus nooit meer een vlinder.
Toch mogen heel veel vlinders wel uitkomen. Want zij moeten weer paren en eitjes leggen voor het volgende jaar.

Afhaspelen

Weet je nog dat de cocon van de prinses uit het sprookje in de warme thee plonsde en toen uiteen viel? Zoiets gebeurt op de zijdetelerij ook. De teler legt de cocons in warm water. De zijdelijm lost dan een beetje op en de zijdedraad laat dan makkelijker los.
Je kunt dan de zijdedraad van de cocon afwikkelen. Afhaspelen noemt de zijdeteler dat. Vaak haspelt hij meerdere cocons tegelijk af zodat er een stevige draad ontstaat.
Het afhaspelen lukt niet met de korte draden. Alleen de middelste 1000 meter van de cocon wordt afgehaspeld. Deze draden worden op klossen gewikkeld om ze te kunnen weven. Als er een lap van geweven is, wordt deze gekookt met een soort zeep. Dit noemt men ontbasten. De laatste resten zijdelijm gaan er dan uit en de zijde wordt glanzend en heel soepel: zacht, maar sterk!

Chappe-zijde

Kun je ook zijde maken van de korte draden van de cocon? Jazeker, maar dan moet je die korte draadjes als het ware aan elkaar spinnen. De eerste 500 meter van de cocon wordt eerst gewassen en gekamd. Dan worden de draadjes op een spin newiel tot één draad gesponnen. Dit noemt men dan chappe-zijde.
Het afval van de eerste en van de laatste 500 meter wordt ook gewassen, gekamd en gesponnen. Dit noemt men bourette­zijde. Chappe-zijde heeft nog wel de zijdeglans, bourette-zijde niet.

Zijde weven

Zijde weven is een lastig karwei. Dat komt omdat de zijdedraad blijft haken achter elke oneffenheid. En dan breekt de dunne draad natuurlijk. De weefmachine moet dus zo glad zijn als zeep.
Toen men nog met de hand weefde, moest een wever extra goed zijn handen verzorgen. Arbeiders met ruwe handen of mensen die niet rustig waren, hielden de draad maar een paar tellen heel. Die konden dus maar beter geen zijdewever worden.

Het geheim van het moerbeiblad

Voor het telen van zijderupsen zijn enorme hoeveelheden moerbeibladeren nodig. GeIukkig komen er van de lente tot de herfst aldoor nieuwe bladeren aan de bomen.
Er zijn twee soorten moerbeibomen: de zwarte en de witte. De witte moorbeiboom geeft geen vrucht, maar wel het beste blad voor de zijderupsen. Men krijgt hier de mooiste zijde van. Deze boom kan ook het best tegen het afplukken van zijn bladeren. De zwarte moerbeiboom heeft een dikker on stugger blad en geeft een heerlijke vrucht. Deze boom is bet bekendst in Europa.
Het is een hele klus om iedere vier uur verse bladeren voor de rupsen te plukken. Daarom hebben de Japanners in 1980 geprobeerd het moerbeiblad na te maken. En dat is hun gelukt ook!
Eén keer per dag voerden zij de rupsen met dit namaakvoedsel. En jawel... de zijde­rupsen groeiden en groeiden. Tot het moment dat ze zich moesten inspinnen. Toen bleek dat ze dat niet konden. Blijkbaar zit er toch iets in het moerbeiblad dat de Japanners niet konden vinden. Een onbekende stof die de zijderups nodig heeft om zich in te spinnen. Dat is het geheim van het echte moerbeiblad.

Soorten zijde

In elke stoffenwinkel kun je wel zijde kopen. Vaak ook veel verschillende soorten. Dat komt omdat er wel 32 soorten zijderupsen zijn. Die leven allemaal van verschillende soorten bladeren en spinnen daardoor verschillende soorten zijde. Maar dat is niet alles. Ook de manier waarop de stof wordt geweven, zorgt ervoor dat de zijde er heel anders uitziet. En om het nog ingewikkelder te maken: soms heeft één soort zijde twee verschillende namen. Dan is die zijde genoemd naar een plaats waar de zijderups wordt geteeld. Shantung-zijde bijvoorbeeld is precies dezelfde zijde als Honan-zijde. Shantung en Honan zijn twee provincies in China.

Wat maakt men van zijde?

Bijna alles wat men van textiel kan maken, wordt ook van zijde gemaakt. Denk maar aan kleding, sjaals, gordijnen, meubelstoffen, maar ook sieraden en wandkleden. Vroeger gebruikten rijke mensen zelfs zijde als behang om te laten zien hoe rijk ze wel waren.
Tegenwoordig wordt van zijde ook nog tandfloszijde gemaakt. Dat is een dunne draad waarmee je de spleetjes tussen je tanden schoonmaakt. Zijde gebruikt men ook in het ziekenhuis. Na een operatie worden daarmee de wonden binnen in het lichaam dichtgemaakt. Als de wond is dichtgegroeid, lost de zijde vanzelf in het lichaam op.

Nog altijd China

De meeste zijde van de wereld komt nog altijd uit China. De zijderupsen worden er vaak op de boerderij geteeld. De kinderen en grootouders hebben daar tot taak de rupsen te verzorgen.
Maar er zijn nog zo’n 50 andere landen waar zijde vandaan komt. We noemen er enkele: Thailand, India, Japan en Rusland. In West-Europa zijn geen echte zijde­telerijen meer te vinden. Dat komt omdat zijde telen een werk is dat erg veel tijd kost. Werkuren zijn in West-Europa heel duur. Daarom vind je deze teelt alleen in Ianden waar de arbeiders weinig ver­dienen.
In Frankrijk, Engeland, Duitsland en Nederland bestaan wel musea of vlindertelerijen die zijderupsen hebben. Ook zijn de rupsen in sommige dierentuinen te zien.

Nederland

In de l8de en l9de eeuw is in Nederland wel geprobeerd een echte zijdeteelt te beginnen. Maar dat mislukte steeds. Vaak omdat zijde telen zo veel werk is! Je bent er bijna dag en nacht mee bezig.
Al sinds een aantal jaren ontvangt de Familie Van Aperen in de West-Brabantse gemeente Halderberge, tussen Oud Gastel en Oudenbosch, op hun Educatieve Boerderij en Zijdemuseum "DE SCHANS" bezoekers. Deze kunnen dan een kijkje nemen in de wondere wereld van de zijde...